Af en toe komen je er artikelen voorbij waarbij je haren recht overeind gaan staan.
Zo ook op 01 februari in de Volkskrant.
Een artikel waarbij Anand Giridharadas ons probeert  uit te leggen dat filantropie een pleister is op de schade die de allerijksten veroorzaken.
Dat de allerijksten geld geven aan goede doelen om zich zo af te kopen van een mogelijk schuldgevoel.

Hij schrijft: “Geld geven is medeplichting aan een groter kwaad en het parfum van de filantropie verhindert ons als maatschappij om vuile zaakjes onder de douche te zetten.
Een afleidingsmanoeuvre.

Ik vind dat nogal wat. 
Hij doet nu overkomen alsof filantropie alleen voor rijken is ‘weggelegd’ en dat zij de enigen zijn die zich hiermee bezig houden.

Wat deze meneer blijkbaar lastig vindt is dat er mensen zijn die bakken met geld verdienen; of het nou een goede of slechte zaak is.
Maar wat hij blijkbaar vergeet is dat deze bedrijven en rijken toch wel hun ding blijven doen, of ze nou wel of niet geven aan goede doelen, dus what’s the point?
Hij wil leven in een wereld waarin de rijksten minder geld hebben om weg te geven, zo sluit hij af.
Een utopie als je het mij vraagt. Onhaalbaar.
En zo lang zijn droom niet uitkomt mogen de rijken wat mij betreft gewoon blijven geven, om welke reden dan ook. 

Daarnaast kan ik deze meneer talloze voorbeelden opnoemen van filantropie in  haar pure vorm.
De bewoners van een gemeente die geld inzamelen voor het zieke kind om de hoek.
De oude, alleenstaande dames, die gratis mogen wonen in de hofjes van Groningen.
De mensen die jaar in, jaar uit, een eurootje (of meer) doneren aan onderzoek naar zeldzame ziektes, natuur of wetenschappelijk onderzoek.
De buurvrouw die wekelijks boodschappen doet voor haar overbuurman die in armoede leeft.
En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Het probleem van liefdadigheid wat door rijken misbruikt wordt,  zoals hij het benoemd, is mijns inziens zijn probleem met rijken.